#weknowitsnotyourislam

Iedere maand ben ik moderator tijdens de serie Gewetensvragen in de Nieuwe Liefde. In januari was de vraag: moet ik publiekelijk afstand nemen van geweld dat in naam van mijn religie wordt gepleegd? Aan tafel onder andere twee moslima die hier over spraken. Dit natuurlijk naar aanleiding van de gebeurtenissen in Parijs en Keulen. We spraken hierover middels een Moreel Beraad, waarin op onderzoekende wijze over een dilemma wordt gesproken. Twee dingen zijn me bijgebleven die avond. Ten eerste werd een vooroordeel weggenomen. Een van de twee moslima droeg een hoofddoek. De ander niet. De gesluierde dame wilde daar iets over kwijt: “Iedereen denkt dat ik strenger in mijn geloof ben dan de dame zonder hoofddoek, maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Een van de dingen uit het geloof die ik belangrijk vind is de hoofddoek. Maar het kan heel goed zijn dat hoofddoekloze vaker bidt.” Ik betrapte mezelf er op dat ik er ook automatisch vanuit was gegaan dat de dame zonder hoofddoek, dus uiterlijk meer gelijkend op mijzelf, vanzelfsprekend minder streng gelovig was. Een vooroordeel wat ik direct geschrapt heb.

Ten tweede werd er gesproken over de hashtag #notinmyname of #nietmijnislam. Politici riepen moslims op met deze hashtags te twitteren om aan te geven dat zij niet achter de aanslagen stonden. Er werden allerlei argumenten voor en tegen aangedragen. Je hóeft het niet te doen, maar als je het wílt, kan het misschien helpen. Aan het einde van de avond kwam iemand uit het publiek met een fantastische oplossing: Mocht de situatie zich ooit nog voordoen, dan hoeven moslims niet te twitteren. Dan moeten niet-moslims twitteren. Met de hashtag: #weknowitsnotyourislam.

Het lijkt me het uitgelezen moment.
#weknowitsnotyourislam

Beste Rodaan Al Galidi (3),

Dit is de laatste keer dat ik je schrijf. Er is nog één kant van je boek Hoe ik talent voor het leven kreeg, dat ik niet heb belicht. Het leven van de asielzoekers daar in dat centrum.

Jij woonde er 9 jaar. In een begraafplaats voor levende lijken. Een plek erger dan een Nederlandse gevangenis, want daar heb je tenminste nog een eigen kamer. Een plek waar het ergste de dagen waren. Omdat je niet wist wat je ermee moest doen. En negen jaren kennen veel dagen. Een plek waar asielzoekers die in andere Europese landen wonen, maar niet tevreden zijn over hun situatie, het opnieuw proberen als het in hun thuisland oorlog is. Ze maaien hiermee het gras onder de voeten van de echte vluchtelingen weg. Realiseren de Nederlanders zich dit? Een plek waar asielzoekers met de bijbel rondlopen, omdat ze hopen dat de kerk vluchtelingen helpt. Een plek waar mensen af en toe een brief krijgen met de mededeling dat ze over 28 dagen het land moeten verlaten. Ookal zit je er al jaren, en ookal wordt aan die brief vervolgens geen gevolg gegeven. Een plek waar mensen door het wanhopig wachten zelfmoord plegen. Een plek vol onbegrip. Kon er echt niemand aan Zainab vertellen wat er met het lijk van Kadhem was gebeurd? Hij ontman zichzelf het leven en zij moest weten of zijn ziel kon rusten. Waarom gaf niemand haar antwoord? Was er niemand die begreep wat zo’n zelfmoord voor effect kan hebben op de andere asielzoekers?

Ik zou nog even door kunnen gaan, maar de mensen moeten je boek maar lezen. Je hebt het zo mooi opgeschreven. Ik hoop dat het je goed gaat. Ik heb respect voor hoe je hebt kunnen schrijven over deze tijd. Ik dank je ervoor dat ik nu ook weet hoe het daar gaat. Je hebt ons Nederlanders een spiegel voorgehouden en dat was wel nodig.
Dank je wel Rodaan. Het ga je goed.

Tyche van Bommel
Vanavond (donderdag 10 maart) wordt Rodaan Al Galidi geïnterviewd door Adriaan van Dis tijdens Hier is… Adriaan van Dis.

Beste Rodaan Al Galidi (2),

Ik schrijf je weer. Je boek krijg ik niet uit mijn hoofd. Ik moet er telkens aan denken. Buiten alle schrijnende verhalen van de verschillende asielzoekers, vielen ook onze enorme cultuurverschillen me zo op. Dat het je zo opviel bijvoorbeeld dat wij Nederlanders, als we met z’n allen een taartje zitten te eten op een verjaardag, het volstrekt normaal vinden om, daar middenin het feestgedruis, een poepluier te gaan verschonen. Dat bij jullie, tijdens de oogsttijd, de school in brand wordt gestoken door leerlingen en ouders, zodat de kinderen ook kunnen meehelpen oogsten. In een afgebrande school kun je niet leren. Dat die school door dezelfde ouders en leerlingen na de oogsttijd weer wordt opgebouwd.

Dat wij Nederlanders tijdens het werk onze agressie verstoppen achter een officieel soort respect. Dat als je je tegenover een werkende Nederlander respectloos gedraagt dat Nederlanders dan officiële wilde beesten worden die je leven in een hel kunnen veranderen. Dat in het dorp waar jij geboren bent geen hotel is, omdat de bewoners zich zouden schamen als er een hotel gebouwd moet worden voor hun bezoekers. Dat dat een klap zou zijn voor hun gastvrijheid. Zou het dan zo zijn dat, als wij massaal uit Europa naar Irak zouden vluchten, we wel allemaal gastvrij opgevangen zouden worden?

Iemand zei laatst tegen mij dat hij dacht dat het misschien wel nooit goed zou komen met de integratie, omdat we simpelweg te anders zijn. Omdat we alleen al anders ruiken door ons eten en dat we daardoor van nature elkaar niet aantrekken maar afstoten. Zou dat het zijn, Rodaan? Kan het gewoon niet? Het valt me steeds meer op dat het in ieder geval nog niet gebeurd is. Wij Nederlanders leven gewoon verder alsof er helemaal niet honderdduizenden, misschien miljoenen mensen uit andere culturen bij ons zijn komen wonen. Wij leven apart. Zij leven apart. Op televisie zie je zelden een van jullie. Zou het dan echt gewoon niet kunnen? Of heeft het zoveel tijd nodig dat we blij mogen zijn dat we het halen voor het vergaan van de aarde?

Wat denk jij Rodaan? Heb jij nog hoop?

Liefs,
Tyche van Bommel

Beste Rodaan Al Galidi,

Mijn hart en buik doen zeer. Ik kan me bijna niet voorstellen dat ik gewoon in een huis woon, werk heb, naar zangles ga, terwijl er in hetzelfde land honderden, duizenden mensen alleen maar wachten. Jarenlang. Wachten op een verblijfsvergunning. Ik las net je boek Hoe ik talent voor het leven kreeg over je negen jaren wachten in een Nederlands Azielzoekerscentrum. De laatste 20 pagina’s kon ik bijna niet meer lezen. Ik kon gewoon niet meer. Ik kon niet nog meer Neerlands falen, pijnlijk wachten, onbegrip, inflexibiliteit en verdriet verdragen. Gelukkig las ik door en kwam je vrij. Want zo voelt het.

Een aantal jaar geleden interviewde ik voor het Leids Kinderrechten Filmfestival drie kinderen die in een asielzoekerscentrum woonden. Sindsdien ben ik me telkens aan het afvragen of ik iets zou kunnen doen. Maar ik weet gewoon steeds niet wat. Ik kon wel dingen verzinnen als concerten organiseren in de AZC’s maar daarvan wordt het wachten niet minder lang. Hooguit een heel klein beetje dragelijker. Weet jij iets? Ik heb me je hele boek afgevraagd: hoe kan het dat het zo is als jij beschrijft? Hoe kan het dat wij Nederlanders zo een ontzettend slecht systeem hebben bedacht? Hoe kan het dat wij mensen 9 jaar laten wachten? Hoe kan dat? Hoe kan het dat daar mensen werken die daar maar gewoon in meegaan? Ik denk namelijk dat het niet rot bedoeld is. Ik denk dat degenen die dit hebben bedacht, zelfs denken dat ze aardig zijn. Jullie (sorry voor het volledig over één kam scheren van de asielzoeker) worden hier binnengelaten, en er wordt gekeken of je kan blijven. Ergens kan ik het wel volgen, hoewel van mij iedereen mag blijven. Nederland is niet supergroot, dus ze willen goed kijken wie ze allemaal een huis toewijzen en wie niet. Maar dat het zo gaat.

Ik heb me nooit zo in politiek verdiept. Ik vond het nooit nodig. In Nederland gaat alles goed dacht ik, Of nou Rutte, Samson, of Roemer regeert. Ik ging wel naar de stembus, maar daar hield het mee op. Ik was altijd blij een Nederlander te zijn. Ik hou heel erg van ons land, en van de mensen, en de muziek en de humor. Maar er is nu iets veranderd. Ik las je boek vaak in de trein. Dan keek ik met een knoop in mn maag naar buiten als ik even niet meer kon. Nu is naast mijn blijdschap Nederlander te zijn ook schaamte ontstaan. Schaamte dat wij mensen zo behandelen. Dus daar bied ik mijn excuses voor aan. Sorry Rodaan, sorry, ik hoop dat het je nu goed gaat en je in de mogelijkheid bent af en toe contact met je familie te hebben. Dag, liefs, groet,

Tyche – beschaamd – van Bommel
Gaat bedenken of ze iets kan doen

Dat doe je toch niet

Op maandagochtend doe ik iets wat alleen moeders doen. Ik ga naar pilates, en dan naar een sjieke, eentje waarbij je kind wordt opgevangen als jij een geavanceerde buikspieroefening moet doen. De ene keer is er één kindje, de andere keer zijn er vijf. Een aantal keer was er een kleintje bij, die het echt verschrikkelijk vond. Een uur lang krijsde hij aan een stuk om zijn moeder, die hem waarschijnlijk niet hoorde in de drukke BBB-les. Wij van het pilatesklasje hoorde hem wel. Iedere keer een uur lang. Ik vond het vreselijk. Veroordeelde in mijn hoofd de moeder. Dat doe je toch niet, je kind een uur achterlaten, terwijl hij het duidelijk vreselijk vindt, belachelijk, dacht ik. Na interactie van mijn pilatesjuf, hoorde we het niet meer. Of het kind niet meer kwam of dat hij niet meer huilde, wist ik eigenlijk niet. Het maakte ook niet uit. De rust tijdens de les was heerlijk. Tot vanochtend. Na tien minuten begon het. “Mama, mama!”,hoorde ik, en een hartverscheurend gehuil. “Daar is hij weer”, zei een pilatesgenoot. Ik spitste mijn oren: het was toch niet mijn dochter? Nee dat was ze niet, die huilde anders en bovendien speelde zij altijd een uur lang zoet met de oppas. Het stopte weer, maar tegen het eind van de les zette het weer aan. “Mama! Mamaaaaa!” “Dat arme jongetje”, dacht ik. En in mijn hoofd begon ik de moeder weer te veroordelen. Tss, dat doe je toch niet. Na afloop van de les liep ik naar beneden om mijn eigen dochter in m’n armen te sluiten. Daar zat ze, als een aapje, helemaal in de oppas geklauterd. Dikke, dikke tranen van verdriet. “Mama? “zei ze. Ze was het enige kindje die dag. De moeder die ik veroordeelde, bleek ikzelf te zijn.
Wat ik daarvan heb geleerd? Juist.

Bang

Het Internationaal Film Festival Rotterdam organiseert ieder jaar schoolvoorstellingen voor de basisschool en ik heb de eer deze te presenteren. Acht keer een zaal vol met 600 leerlingen uit groep acht is telkens weer een feestje. We doen de wave, oefenen applaus – hoe hard klap je voor een film die niet zo leuk was – en bereiden ons middels een voorgesprekje voor op de volgende korte film. Dit jaar stond de 2 minuutdurende Canadese animatiefilm Fears van Nata Metlukh op het programma. Een film over angsten, getekend als kleine zwarte beestjes, die mensen tegenwerken in hun doen en laten. Van te voren vraag ik de kinderen eerst allemaal tegelijk of ze wel eens bang zijn. Zo’n 500 kinderen steken hun hand op. Daarna specificeer ik de vragen steeds meer. Wie is er wel eens bang in het donker, wie is er bang voor een ongeluk, wie is er bang z’n ouders te verliezen. Vooral de laatste leidt telkens tot veel geroep in de zaal: Jaaaaa, heel erg!

Dan ga ik de zaal in: wie kent er nog andere angsten. Bang voor insecten, wordt vaak genoemd. Voor honden. In de lift. Voor de juf. Ze kunnen niet wachten hun angst op te noemen. Op een dag waren er ook weer twee kinderen zo dapper hun angst met de zaal te delen. Bang dat een van mijn ouders me iets aandoet. Zo. Daar schrok ik van. Ik probeerde oogcontact te zoeken met de leraar om zeker te krijgen dat hij het gehoord had. De volgende was niet minder heftig. Bang dat een van mijn ouders iemand anders meer liefheeft dan mij, zei een meisje met een hazenlip. Ja, dat lijkt mij ook heel erg. Kinderen, verlangend naar de liefde van hun ouders, maar niet bang deze angst met een volle zaal te delen. Ik wilde nog een kindje aan het woord laten. Misschien dat we het licht konden afsluiten. Het laatste kind was bang voor de dood en ja, gek genoeg, was dat inderdaad lichter.