Dat doe je toch niet

Op maandagochtend doe ik iets wat alleen moeders doen. Ik ga naar pilates, en dan naar een sjieke, eentje waarbij je kind wordt opgevangen als jij een geavanceerde buikspieroefening moet doen. De ene keer is er één kindje, de andere keer zijn er vijf. Een aantal keer was er een kleintje bij, die het echt verschrikkelijk vond. Een uur lang krijsde hij aan een stuk om zijn moeder, die hem waarschijnlijk niet hoorde in de drukke BBB-les. Wij van het pilatesklasje hoorde hem wel. Iedere keer een uur lang. Ik vond het vreselijk. Veroordeelde in mijn hoofd de moeder. Dat doe je toch niet, je kind een uur achterlaten, terwijl hij het duidelijk vreselijk vindt, belachelijk, dacht ik. Na interactie van mijn pilatesjuf, hoorde we het niet meer. Of het kind niet meer kwam of dat hij niet meer huilde, wist ik eigenlijk niet. Het maakte ook niet uit. De rust tijdens de les was heerlijk. Tot vanochtend. Na tien minuten begon het. “Mama, mama!”,hoorde ik, en een hartverscheurend gehuil. “Daar is hij weer”, zei een pilatesgenoot. Ik spitste mijn oren: het was toch niet mijn dochter? Nee dat was ze niet, die huilde anders en bovendien speelde zij altijd een uur lang zoet met de oppas. Het stopte weer, maar tegen het eind van de les zette het weer aan. “Mama! Mamaaaaa!” “Dat arme jongetje”, dacht ik. En in mijn hoofd begon ik de moeder weer te veroordelen. Tss, dat doe je toch niet. Na afloop van de les liep ik naar beneden om mijn eigen dochter in m’n armen te sluiten. Daar zat ze, als een aapje, helemaal in de oppas geklauterd. Dikke, dikke tranen van verdriet. “Mama? “zei ze. Ze was het enige kindje die dag. De moeder die ik veroordeelde, bleek ikzelf te zijn.
Wat ik daarvan heb geleerd? Juist.

Reacties zijn gesloten.